Lexicon
Aanvullende eisen - Een vorm van selectie die vooral voorkomt bij fixusopleidingen. De opleiding vraagt bijvoorbeeld om een motivatiebrief, cijferlijst of cv.
Accreditatie – Alleen als een opleiding een bepaalde minimale kwaliteit heeft, ontvangt deze een accreditatiekeurmerk. In Nederland verzorgt de NVAO alle accreditaties. Zie ook: NVAO.
Bachelor – De eerste drie jaar van je studie vormen de bachelor. Hierna kun je aan het werk gaan, maar de meeste universitaire studenten stromen door naar een master. Zie ook: Master.
Basisbeurs – Geld dat je van de overheid ontvangt om je studie te betalen. Het geld dat je ontvangt is een lening, die wordt omgezet in een gift als je binnen tien jaar je diploma haalt. Zie ook het artikel ‘Geldzaken’.
Bindend studieadvies (BSA) – Als je in het eerste jaar te weinig studiepunten haalt, heeft de opleiding er geen vertrouwen in dat het eindpunt haalt. Je krijgt dan het ‘advies’ om te stoppen met de opleiding, maar je hebt meestal geen keus. Dit heet ook wel de prestatie-eis. Bijna alle universiteiten hanteren dit systeem. Zie ook het artikel: ‘Bindend studieadvies’.
(Decentrale) selectie – Opleidingen met een numerus fixus mogen zelf studenten selecteren. Bij deze selectie kijken ze vaak naar je cijfers, maar ook naar je motivatie en je geschiktheid voor het werkveld.
Deeltijdstudie – Deeltijdstudies zijn vooral bedoeld voor mensen die niet fulltime kunnen studeren, bijvoorbeeld omdat ze een baan hebben. Soms duren ze op papier even lang als een voltijdstudie. In de realiteit studeer je ongeveer 20 uur per week en doe je dus langer over je studie.
DUO – Bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) geef je aan welke studie je gaat doen. Ook al je financiële zaken, zoals een (aanvullende) beurs of lening, regel je hier.
ECTS – Punten die je krijgt voor afgeronde tentamens, opdrachten of vakken, ook wel studiepunten genoemd. Per studiejaar kun je 60 ECTS halen. ECTS is een afkorting voor European Credit Transfer System. Een punt staat gelijk aan 28 studie-uren.
Honoursprogramma – Steeds vaker bieden universiteiten een aanvullend programma voor excellente studenten aan. De studenten worden meestal geselecteerd op basis van motivatie en cijfers.
Joint degree – Gezamenlijk diploma van een opleiding die wordt verzorgd door twee of meer samenwerkende onderwijsinstellingen.
Joint program – Studieprogramma dat wordt verzorgd door twee of meer samenwerkende onderwijsinstellingen.
Majors en minors – Major is een moderne term voor hoofdvak. Vaak wordt hiermee de hoofdrichting binnen je eigen bacheloropleiding bedoeld. Een minor is een vakkenpakket waarmee je je kennis verdiept binnen of verbreedt buiten je vakgebied. Sommige minoren zijn een vaststaand vakkenpakket, terwijl andere minoren bestaan uit keuzevakken. Meestal neemt een minor één semester van je bachelor in beslag.
Master – Studiefase na de bachelor. De meeste masters duren één jaar. Masters in de exacte vakken, educatieve masters, duale masters en onderzoeksmasters duren vaak anderhalf of twee jaar (en in enkele gevallen zelfs drie jaar).
Matching – Zie: Studiekeuzecheck.
Numerus fixus – Ook wel studentenstop: het maximumaantal studenten dat wordt toegelaten tot een bepaalde opleiding. Dit geldt bijvoorbeeld voor psychologie en tandheelkunde. Zie ook: Decentrale selectie.
NVAO – De Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie beoordeelt alle opleidingen in het hoger onderwijs. Als de NVAO vindt dat een opleiding van voldoende niveau is, dan wordt de opleiding geaccrediteerd. In de Keuzegids nemen we alleen opleidingen op die dit keurmerk hebben.
Particuliere instelling - Opleidingen van particuliere instellingen zijn wel geaccrediteerd, maar worden niet mede bekostigd door de overheid. Daarom betaal je vaak een hoger collegegeldtarief. Het bedrag kan oplopen tot ruim 25.000 euro per jaar.
Propedeuse – Het eerste jaar van een wo- of hbo-opleiding heet de propedeuse. Bij de meeste universiteiten krijg je na het behalen van alle punten uit het eerste jaar (60 ECTS) een propedeusediploma uitgereikt.
Specialisatie – Specifieke inhoudelijke richting die je kunt kiezen binnen de opleiding. De termen specialisatie, track, afstudeerrichting en uitstroomprofiel worden soms door elkaar gebruikt, maar betekenen in de praktijk hetzelfde.
Studiekeuzecheck – Veel universiteiten verplichten nieuwe studenten om mee te doen aan een studiekeuzecheck, ook wel matching genoemd. Vaak wordt er gekeken naar je motivatie en soms moet je op gesprek komen of een toets maken. Op basis hiervan beoordeelt de opleiding of de studie bij jou past en krijg je een advies. Dit advies is niet bindend: ook bij een negatief advies mag je aan de opleiding beginnen. Pas op: als je je na 1 mei inschrijft of niet meedoet aan de studiekeuzecheck heeft de instelling wél het recht om je te weigeren.

